droomtuinieren deel 56: mijn klimbonenliefde

Te koud voor tuinwerk betekent moestuinieren aan de keukentafel: zaadjes uitzoeken. Van een van de leukste groenten, ook in de niet-groentetuin: klimmende bonen. Ik zaai ze bonen niet te vroeg (zoals mijn moeder vroeger zei (dat haar moeder altijd zei): ‘bonen mogen de mei niet zien’. Vervolgens mogen ze de rozenpoortjes beklimmen - daarom hou ik zo van bonen met mooie bloesemkleuren zoals de zalmroze pronkers - voor door de abrikooskleurige roos - en hemelsblauwe raasdonders die samen mogen met een witte klimroos). Ik oogst vers wat ik nodig heb, en wat blijft hangen door overvloed of tijdgebrek laat ik aan de plant drogen. Uiteindelijk, als het loof afsterft, knip ik de hele plant net boven de grond af. Die struik mag ondersteboven in de schuur tot de winter, dan heb ik tijd om de gedroogde bonen eraf te halen, te doppen: voorraadje voor chili en kapucijners, en nieuw zaad voor volgend jaar! De wortels laat ik altijd zitten: ze maken de grond vruchtbaarder door heel veel stikstof op te slaan. Maar komend jaar ga ik voor een experiment: op de afgeknipte stoppels komt een laagje wintervacht: compost, blad of wat ik maar voorhanden heb. Misschien een stukje gaas eroverheen met tentharingen. Soms loopt de boel dan weer gewoon uit, om nieuwe bonen te geven: de boon als vaste plant!
Recent Posts











